HOME WAARNEMINGEN SLECHTVALKEN IN
DE MORTEL FOTO’s LINKS GASTENBOEK E-MAIL
DE TOREN EN OMGEVING
De communicatietoren in De
Mortel met een hoogte van
De Mortel valt onder de
gemeente Gemert-Bakel.
Wat betreft communicatie wordt
de toren nog minimaal benut.
De nestkast is geplaatst in
2005.
In november 2008 is er een
nieuwe, onderhoudsvrije kast geplaatst, en da afmeting is ongeveer 60x80x100
cm.
De nestopening bevindt zich
Noord-Oost
Wil je hem zien op Google
Earth : 51°
In het natuurgebied rond de
toren lopen, onder beheer van staatsbosbeheer, tientallen schotse hooglanders
(Zie foto’s 2006 en hieronder)
Het gebied is toegankelijk
voor het publiek, maar lees eerst de bordjes van staatsbosbeheer over de
regels.
De hooglanders zijn geen
dieren om te gaan aaien!!!!, maar op een afstand van
Kijk echter wel uit als er
kalveren in de buurt zijn.
De Schotse hooglander komt,
zoals de naam al doet voorkomen, oorspronkelijk uit de Schotse hooglanden.
Ze hebben grote scherpe
horens, korte poten en lang haar.
De lange oogharen
beschermen de ogen tegen weer en wind.
Ze zijn een nat en ruig
klimaat gewend, waardoor ze ook hier goed gedijen. Hun voorkeur gaat uit naar
voedselarme
gebieden zoals onze
heidevelden.
De dieren hebben een
minimum aan verzorging nodig en worden alleen in de winter – indien nodig –
bijgevoerd.
Ze eten behalve gras ook
veldzuring, brandnetels en distels, waardoor andere vegetatie zich beter kan
ontwikkelen.
Het gewicht van een
volwassen hooglander is 400 –
De mest van de hooglanders
trekt torretjes aan, die op hun beurt weer voedsel zijn voor vogels.
Ook pikken de vogels
onverteerde zaden uit de mest.
De koeien zijn over het
algemeen dominanter als de stieren, zeker wanneer er kalveren zijn.
Het zijn rustige
niet-agressieve dieren, maar het zijn geen “aai-beesten” en houdt dus enigszins
afstand.
Vooral als er kalveren zijn
dient de nodige afstand bewaard te worden en is het niet aan te raden
tussen moeder en kalf te
komen (ook niet als ze verder uit elkaar staan).
Onderschat ook hun
loopsnelheid niet; ze zijn sneller dan wij.
In het gebied rond de toren
zijn ook regelmatig buizerds te zien.
De buizerd is een middelgrote
roofvogel met een lengte van 46-
en een vleugelspanwijdte van
110-
Gewicht ca. 600-
Het voedsel bestaat uit
muizen, vogels konijnen reptielen en insecten.
De vogel is in de lucht te
herkennen aan zijn brede vleugels, korte brede hals en een middellange staart.
Zit ook vaak op palen langs
weilanden, zoekend naar prooi. De buizerd zweeft vaak ook op gemiddelde hoogte,
met waaiervormig gespreide
staart.
Staart is korter dan de vleugelbreedte, met rechte
zijden en scherpe hoeken en zwarte eindband.
Het verenkleed is zeer
variabel van zeer donker tot licht.
Duidelijke kenmerken :
vuilwitte staart met dichte grijze bandering. Ongeachte de hoofdkleur een
lichte U-vormige
Vingers (vleugeluiteinde)
zijn geheel zwart en de slagpennen witachtig met 5-7 donkere banden.
Het nest van de buizerd
vinden we hoofdzakelijk in bomen, op een hoogte van 9-
Ze worden na 2-3 jaar
geslachtsrijp. Het legsel bestaat uit 2 tot 4 eieren en de broedduur is 33-35
dagen..
De jongen blijven dan nog 6 – 7 weken in het nest.
Ook deze vogel huist in het
gebied rond de toren. (zie ook Foto’s 2006)
Overigens als ik praat over
het gebied “rond de toren” bedoel ik daarmee een gebied van vele
tientallen vierkante
kilometers, dat omhelst wordt door natuurgebied “Grotelse Heide” en “De
Stippelberg”.
Evenals de slechtvalk is er
bij de havik een groot verschil in afmeting tussen mannetje en vrouwtje.
Man : 49-
Vrouw : 58-
De havik jaagt op vogels en
zoogdieren, formaat fazant en haas.
De havik is een krachtige
roofvogel met brede vleugels en een lange staart.
In de vlucht herkent men de
havik aan zijn relatief korte en brede afgeronde vleugels met een lange staart,
die langer is dan de breedte
van de vleugels.
Hij heeft een typische manier
van vliegen: meerdere snelle en krachtige vleugelslagen waarna een glijpauze
volgt.
In de gespreide staart ziet men
meerdere donkere dwarsbanden.
Het verenkleed lijkt
enigszins op de slechtvalk : Adults aan
de bovenzijde grijsbruin tot leikleurig
en aan de onderzijde
witachtig met fijne dwarsbanden.
Juveniels zijn bovenop
donkerbruin en hebben een bruinwitte onderkant, met donkere dwarsstrepen.
Op grote afstand lijkt de
havik enigszins op de sperwer, echter maken ze krachtigere vleugelslagen.
Het haviksnest bevindt zich
in het algemeen dieper in het bos dan dat van andere roofvogels
en heeft een hoogte tussen de
10 en
Het territorium beslaat 5 tot
60 vierkante km.
De jachtmethode lijkt ook op
die van de slechtvalk : rondcirkelend om dan met een stootduik de prooi aan te
vallen;
maar ook vanuit een zittende
positie.
De havik is al na 10 maanden
geslachtsrijp en broedt soms al in het 1e of 2e
levensjaar.
De meeste broeden echter pas
vanaf het derde levensjaar.
Het legsel bestaat meestal
uit 3 of 4 eieren met een broedtijd van
Gedurende de hele leg-broed-
en opvoedperiode blijft het vrouwtje op het nest (dit is ca. 3 maanden).
Gedurende deze tijd verzorgt het mannetje het voedsel
voor zichzelf, het vrouwtje en de jongen.
Pas als de jongen 3 weken oud
zijn gaat ook ma op eten uit.
De jongen blijven
De nijlgans is een in
Nederland veel voorkomende vogel. Ook in De Mortel wordt ie vaak waargenomen.
De nijlgans komt
oorspronkelijk uit Afrika, zoals de naam al doet vermoeden, uit het
stroomgebeid van de Nijl.
Het is geen zeldzame vogel.
De nijlganzen die in Europa
voorkomen stammen af van vogels die uit gevangenschap zijn ontsnapt.
Ondanks dat ze uit het warme
Afrika komen kunnen ze hier de strenge winters wel doorstaan.
Als ze toch naar het zuiden
trekken, zijn ze vaak in februari al weer terug..
De grootte is 60 –
Om de nek hebben ze een
donkere bruine ring en om de ogen een rode ring, de zogenaamde “bril”. De
snavel en de poten zijn dof rozerood.
Op de borst hebben ze een
bruine vlek.
In de vlucht is ook het een
groot wit vleugeldeel zichtbaar.
Het vrouwtje legt zes á acht
eieren en de jongen, pullen genaamd, hebben een zeer grote overlevingskans.
In de broedtijd zijn de nijlganzen zeer
agressief.
Ook in de rest van het jaar
kunnen ze agressief optreden tegen allerlei andere dieren.
Als nest wordt ook vaak een
nest van een andere vogel gebruikt, die dan weggejaagd wordt. Zelfs nesten in bomen worden gebruikt.
Eenden en meerkoeten worden
zonder pardon aangevallen en jongen van andere watervogels worden verwond en
verdronken door de nijlgans.
Jakobskruiskruid is een
tweejarige wilde plant, die in Nederland steeds meer voorkomt. De plant hoort
hier van nature overigens wel thuis.
In de omgeving van de toren
in De Mortel groeit zeer veel Jakobskruiskruid.
Oorspronkelijk groeit de
plant in bermen, maar verspreid zich in aangelegen weilanden. Het is een
zogenaamde windverspreider,
wat betekent dat de zaadjes
met de wind verspreid worden.
De meeste zaden komen binnen
De zaden (pluis) kunnen ook
verspreid worden door de vacht van dieren.
Een volwassen plant
produceert 75000 tot 200000 zaden. De plant gedijt het beste op arme, niet al
te vaste grond.
Dus in een aanpalend, rijk bemest, grasland zal
de plant minder of niet gedijen.
In het tweede jaar bloeit het
Jakobskruiskruid, van juni t/m september, met gele bloemen in een stralenkrans.
In het najaar zet de plant
zaden en sterft dan af. De plant vormt een voedingsbron voor meer dan 150
soorten insecten,
zoals bijen, vliegen en
vlinders. De meest bekende hiervan is de
Jakobsvlinder.
De Jakobsvlinder is zelfs
volledig afhankelijk van de plant, inclusief zijn voortplanting.
De rups van deze vlinder , de
Zebrarups (geel met zwart), eet van de giftige plant en is zo oneetbaar voor
z’n meeste vijanden.
Het meeste gif zit in de
bloemen (twee keer zoveel als in de bladeren), maar vergiftiging treedt alleen
op als de plant gegeten wordt.
De gifstoffen, zgn
pyrrolizidine-alkaloïden, tasten de lever aan. Over het algemeen zullen paarden
en runderen niet van de verse plant eten,
maar het gevaar schuilt in
het maaien. Als de plant dan in het hooi terecht komt, zullen de dieren het
niet meer herkennen en gewoon opeten.
Bij huidcontact is de plant
niet giftig, maar kan een allergische reactie geven.
In De Mortel zien we dat ook de Schotse Hooglanders de plant mijden. Ze lopen er wel doorheen,
maar hun dikke vacht voorkomt
aantasting van de huid.
In het gebied rond de toren
lopen twee beeklopen, de Snelle Loop en de Esperloop. Deze beekjes lopen ook
vlak langs het veel
Grotere natuurgebied de
Stippelberg, dat grenst aan de Grootelse Heide. Bij de toren is de Snelle Loop
het opvallendst,
De Esperloop stroomt verderop
in het zuiden, door de bossen en lage begroeiing.
Oorspronkelijk werd de Snelle
Loop gevormd uit drie waterlopen :
De noordelijke loop door de
Milschotse heide, de zuidelijke loop, wat nu de Esperloop is en de middelste
loop, die ontstond in het Witven,
In de buurt van Hoogen Aarle
in De Mortel. Deze drie taken kwamen bij Grotel bij elkaar.
De middentak staat nu bekend
als de Snelle Loop, en is in het begin van de 19e eeuw verlengd tot
aan het Peelkanaal,
waar nu de Snelle Loop zijn
oorsprong vindt.
In de middeleeuwen is de
benedenloop van de Snelle Loop deels gekanaliseerd. Het was daardoor tevens een
natuurlijke grens tussen
Gemert en de naburige dorpen.
De koeien liepen door de
ondiepe beek naar de overzijde. Dit leidde toen zelfs tot het graven van een
tweede loop, parallel aan de
Snelle Loop met daartussen
een houtwal. Deze tweede beek werd dan ook Walgraaf genoemd. Er zijn
verklaringen dat die al in
de 15e eeuw is
aangelegd
De aanleg was om te voorkomen
dat “Gemerts” vee zou grazen van het gras van Aarle-Rixtel en Beek en Donk.
In 1947 zijn beide lopen
samengevoegd, en werd een groot gedeelte gekanaliseerd (mede door
ruilverkavelingen).
Enige jaren geleden heeft men
een gedeelte van de lopen weer laten meanderen. Tijdens de werkzaamheden om de
Snelle Loop weer
te laten meanderen, is een
gedeelte van de Walgraaf opnieuw uitgegraven.
De aanleg van deze dubbele
loop heeft echter ook andere voordelen. Het totale wateroppervlak wordt ermee
verhoogd,
Rond de Snelle Loop en de
Esperloop vinden we een grote diversiteit van flora en fauna.
De Snelle Loop ontspringt bij
het waterinlaatpunt van het Peelkanaal, die van oorsprong van de Maas komt,
ten oosten van het
natuurgebied De Stippelberg. De inlaat is een stuw, die er uit ziet als
overloop.
Het inlaatpunt bevindt zich
op defensie terrein.
Het stroomgebeid loopt ten
zuiden van De Stippelberg, vormt deels de grens tussen Gemert en Laarbeek,
gaat ter hoogte van de
Beeksedijk over in de Kleine Walgraaf en mondt uit in de AA, ter hoogte van
Hulst.
Even hiervoor stroomt ook het
riviertje De Rips in de Kleine Walgraaf. In het hele stroomgebied worden
Al vrij snel in de bovenloop
splits de Snelle loop zich, om ter hoogte van Klef, weer in één beek over te
gaan.
Ongeveer
de zuidelijke stroom
Esperloop genoemd. Deze afsplitsing is moeilijk te zien, omdat de Snelle Loop
hier via een duiker
onder de weg doorgaat, en de
Esperloop begint in een smalle duiker, met veel bermbegroeiing. (een duiker is
een
onderdoorgang voor water,
onder bijv een weg, meestal gevormd door een betonnen buis).
De Esperloop is vaak smaller
dan de Snelle Loop en meandert veel meer.
Ter hoogte van de duiker aan
de Neerstraat is onlangs een nieuwe stuw geplaatst en is ook duidelijk te zien
dat het water
daar erg ijzerhoudend is
(roestbruine kleur). Deze stuw is geplaatst om het wijstwater langer vast te
houden.
Door deze breuk zijn er in
het gebied zogenaamde “wijstverschijnselen”.
Dit houdt in dat door de
slecht waterdoorlatende laag in de breuken, grondwater omhoog kwelt. Je kunt
dan ook natte,
hoge gedeeltes zien tussen droge lagere delen. Het wijstwater is sterk ijzerhoudend, waardoor de Esperloop in de benedenloop
een roestbruine kleur heeft.
Hierdoor slaat veel fosfaat neer op de bodem, waardoor de kwaliteit van het
water goed tot zeer goed is.
Om het waterpeil te kunnen
regelen zijn in beide beken stuwen geplaatst, maar in het meanderende deel op
Grotelse Heide zijn deze
enkele jaren geleden
vervangen door vistrappen. Dit zijn kleine dammetjes, die gevormd zijn door
grote stenen, dwars door de beken.
Aan de achterzijde van de
toren aan de Hemelsbleekweg, splits de Snelle loop zich, waar je een idee
krijgt hoe het er vroeger uitzag
met de Walgraaf. Ter hoogte
van Tereyken is de Walgraaf ook hersteld.
Verderop stroomafwaarts wordt
de linkerstroom nog een keer gesplitst, maar slechts over ca.50 meter.
Meteen nadat deze laatste
afsplitsing weer in de linkerstroom komt is een stuw geplaats. Het verval is
hier ongeveer een halve meter.
Dat we dit niet zien in de
rechterstroom (stroomafwaarts gezien) komt omdat daar meer dammetjes liggen,
die gezamenlijk dat verval opvangen.
Hierna komen de twee stromen
van de Snelle Loop,weer bij elkaar en komt ook de Esperloop uit in de Snelle
Loop.
Dit laatste is moeilijk te
zien, omdat dit hier ook gebeurt middels een duiker, waar ’s zomers veel
bermbegroeiing voorhangt.
Hierna gaat de Snelle Loop
onder Grotel door, richting Zuidwesten.
Alle foto’s (meer dan hier
geplaatst en in groter formaat) zijn te zien bij Foto’s / 2007 / Snelle Loop