HOME    WAARNEMINGEN    SLECHTVALKEN IN DE MORTEL    FOTO’s    LINKS    GASTENBOEK    E-MAIL

 


DE TOREN EN OMGEVING

 

INFORMATIE OVER DE TOREN

DE SCHOTSE HOOGLANDERS

DE BUIZERD                                                                                                  

DE HAVIK

DE NIJLGANS

JAKOBSKRUISKRUID

DE SNELLE LOOP EN ESPERLOOP

 

 

INFORMATIE OVER DE TOREN

 

De communicatietoren in De Mortel met een hoogte van 127 meter, is gebouwd in 1989/1990 en staat aan de Hemelsbleekweg.

De Mortel valt onder de gemeente Gemert-Bakel.

Wat betreft communicatie wordt de toren nog minimaal benut.

De nestkast is geplaatst in 2005.

In november 2008 is er een nieuwe, onderhoudsvrije kast geplaatst, en da afmeting is ongeveer 60x80x100 cm.

De nestopening bevindt zich Noord-Oost

Wil je hem zien op Google Earth : 51° 31’ 34,93” N  -  42’ 14,75” E

In het natuurgebied rond de toren lopen, onder beheer van staatsbosbeheer, tientallen schotse hooglanders (Zie foto’s 2006 en hieronder)

Het gebied is toegankelijk voor het publiek, maar lees eerst de bordjes van staatsbosbeheer over de regels.

De hooglanders zijn geen dieren om te gaan aaien!!!!, maar op een afstand van 25 meter voorbijlopen is geen probleem.

Kijk echter wel uit als er kalveren in de buurt zijn.

 

Naar Boven

 

DE SCHOTSE HOOGLANDERS

 

De Schotse hooglander komt, zoals de naam al doet voorkomen, oorspronkelijk uit de Schotse hooglanden.

Het is een zeer oud ras.

Ze hebben grote scherpe horens, korte poten en lang haar.

De lange oogharen beschermen de ogen tegen weer en wind.

Ze zijn een nat en ruig klimaat gewend, waardoor ze ook hier goed gedijen. Hun voorkeur gaat uit naar voedselarme

gebieden zoals onze heidevelden.

De dieren hebben een minimum aan verzorging nodig en worden alleen in de winter – indien nodig – bijgevoerd.

Ze eten behalve gras ook veldzuring, brandnetels en distels, waardoor andere vegetatie zich beter kan ontwikkelen.

Het gewicht van een volwassen hooglander is 400 – 500 kg; een kalf weegt 110-165 kg.

De mest van de hooglanders trekt torretjes aan, die op hun beurt weer voedsel zijn voor vogels.

Ook pikken de vogels onverteerde zaden uit de mest.

De koeien zijn over het algemeen dominanter als de stieren, zeker wanneer er kalveren zijn.

Het zijn rustige niet-agressieve dieren, maar het zijn geen “aai-beesten” en houdt dus enigszins afstand.

Vooral als er kalveren zijn dient de nodige afstand bewaard te worden en is het niet aan te raden

tussen moeder en kalf te komen (ook niet als ze verder uit elkaar staan).

Onderschat ook hun loopsnelheid niet; ze zijn sneller dan wij.

 

Naar Boven

 

DE BUIZERD

 


In het gebied rond de toren zijn ook regelmatig buizerds te zien.

De buizerd is een middelgrote roofvogel met een lengte van 46-58 cm, waarvan 20-25 cm staart

en een vleugelspanwijdte van 110-132 cm.

Gewicht ca. 600-100 gram.

Het voedsel bestaat uit muizen, vogels konijnen reptielen en insecten.

De vogel is in de lucht te herkennen aan zijn brede vleugels, korte brede hals en een middellange staart.

Zit ook vaak op palen langs weilanden, zoekend naar prooi. De buizerd zweeft vaak ook op gemiddelde hoogte,

met waaiervormig gespreide staart.

Staart  is korter dan de vleugelbreedte, met rechte zijden en scherpe hoeken en zwarte eindband.

Het verenkleed is zeer variabel van zeer donker tot licht.

Duidelijke kenmerken : vuilwitte staart met dichte grijze bandering. Ongeachte de hoofdkleur een lichte U-vormige

borstband, die de donkere bovenborst en buikzijde scheidt.

Vingers (vleugeluiteinde) zijn geheel zwart en de slagpennen witachtig met 5-7 donkere banden.

Het nest van de buizerd vinden we hoofdzakelijk in bomen, op een hoogte van 9-18 meter.

Ze worden na 2-3 jaar geslachtsrijp. Het legsel bestaat uit 2 tot 4 eieren en de broedduur is 33-35 dagen..

De jongen blijven dan  nog 6 – 7 weken in het nest.

 

Naar Boven

 

DE HAVIK

 


Ook deze vogel huist in het gebied rond de toren. (zie ook Foto’s 2006)

Overigens als ik praat over het gebied “rond de toren” bedoel ik daarmee een gebied van vele

tientallen vierkante kilometers, dat omhelst wordt door natuurgebied “Grotelse Heide” en “De Stippelberg”.

Evenals de slechtvalk is er bij de havik een groot verschil in afmeting tussen mannetje en vrouwtje.

Man : 49-56 cm, spanwijdte  93-105 cm, gewicht 580-870 gram.

Vrouw : 58-64 cm en een spanwijdte van 108-127 cm. , gewicht 880-1320 gram.

De havik jaagt op vogels en zoogdieren, formaat fazant en haas.

De havik is een krachtige roofvogel met brede vleugels en een lange staart.

In de vlucht herkent men de havik aan zijn relatief korte en brede afgeronde vleugels met een lange staart,

die langer is dan de breedte van de vleugels.

Hij heeft een typische manier van vliegen: meerdere snelle en krachtige vleugelslagen waarna een glijpauze volgt.

In de gespreide staart ziet men meerdere donkere dwarsbanden.

Het verenkleed lijkt enigszins op de slechtvalk : Adults  aan de bovenzijde grijsbruin tot leikleurig

en aan de onderzijde witachtig met fijne dwarsbanden.

Juveniels zijn bovenop donkerbruin en hebben een bruinwitte onderkant, met donkere dwarsstrepen.

Op grote afstand lijkt de havik enigszins op de sperwer, echter maken ze krachtigere vleugelslagen.

Het haviksnest bevindt zich in het algemeen dieper in het bos dan dat van andere roofvogels

en heeft een hoogte tussen de 10 en 30 meter. Vaak wordt een nest meermalen gebruikt.

Het territorium beslaat 5 tot 60 vierkante km.

De jachtmethode lijkt ook op die van de slechtvalk : rondcirkelend om dan met een stootduik de prooi aan te vallen;

maar ook vanuit een zittende positie.

De havik is al na 10 maanden geslachtsrijp en broedt soms al in het 1e of 2e levensjaar.

De meeste broeden echter pas vanaf het derde levensjaar.

Het legsel bestaat meestal uit 3 of 4 eieren met een broedtijd van 5 a 6 weken.

Gedurende de hele leg-broed- en opvoedperiode blijft het vrouwtje op het nest (dit is ca. 3 maanden).

Gedurende  deze tijd verzorgt het mannetje het voedsel voor zichzelf, het vrouwtje en de jongen.

Pas als de jongen 3 weken oud zijn gaat ook ma op eten uit.

De jongen blijven 5 a 6 weken in het nest, waarna ze nog 3 a 4 weken blijven “takken”

 

Naar Boven

 

DE NIJLGANS

 

De nijlgans is een in Nederland veel voorkomende vogel. Ook in De Mortel wordt ie vaak waargenomen.

De nijlgans komt oorspronkelijk uit Afrika, zoals de naam al doet vermoeden, uit het stroomgebeid van de Nijl.

Het is geen zeldzame vogel.

De nijlganzen die in Europa voorkomen stammen af van vogels die uit gevangenschap zijn ontsnapt.

Ondanks dat ze uit het warme Afrika komen kunnen ze hier de strenge winters wel doorstaan.

Als ze toch naar het zuiden trekken, zijn ze vaak in februari al weer terug..

 

De nijlgans, die eigenlijk geen gans is, maar verwant is aan de Bergeend, is te herkennen aan zijn lichtgroene tot rode verenkleed.

De grootte is 60 – 75 cm.

Om de nek hebben ze een donkere bruine ring en om de ogen een rode ring, de zogenaamde “bril”. De snavel en de poten zijn dof rozerood.

Op de borst hebben ze een bruine vlek.

In de vlucht is ook het een groot wit vleugeldeel zichtbaar.

 

Het vrouwtje legt zes á acht eieren en de jongen, pullen genaamd, hebben een zeer grote overlevingskans.

In  de broedtijd zijn de nijlganzen zeer agressief.

Ook in de rest van het jaar kunnen ze agressief optreden tegen allerlei andere dieren.

Als nest wordt ook vaak een nest van een andere vogel gebruikt, die dan weggejaagd wordt.  Zelfs nesten in bomen worden gebruikt.

Eenden en meerkoeten worden zonder pardon aangevallen en jongen van andere watervogels worden verwond en verdronken door de nijlgans.

 

Naar Boven

 

JAKOBSKRUISKRUID

 


Jakobskruiskruid is een tweejarige wilde plant, die in Nederland steeds meer voorkomt. De plant hoort hier van nature overigens wel thuis.

In de omgeving van de toren in De Mortel groeit zeer veel Jakobskruiskruid.

Oorspronkelijk groeit de plant in bermen, maar verspreid zich in aangelegen weilanden. Het is een zogenaamde windverspreider,

wat betekent dat de zaadjes met de wind verspreid worden.

De meeste zaden komen binnen 25 meter van de moederplant terecht.

De zaden (pluis) kunnen ook verspreid worden door de vacht van dieren.

Een volwassen plant produceert 75000 tot 200000 zaden. De plant gedijt het beste op arme, niet al te vaste grond.

Dus  in een aanpalend, rijk bemest, grasland zal de plant minder of niet gedijen.

 

 


In het tweede jaar bloeit het Jakobskruiskruid, van juni t/m september, met gele bloemen in een stralenkrans.

In het najaar zet de plant zaden en sterft dan af. De plant vormt een voedingsbron voor meer dan 150 soorten insecten,

zoals bijen, vliegen en vlinders. De meest bekende hiervan is de  Jakobsvlinder.

De Jakobsvlinder is zelfs volledig afhankelijk van de plant, inclusief zijn voortplanting.

De rups van deze vlinder , de Zebrarups (geel met zwart), eet van de giftige plant en is zo oneetbaar voor z’n meeste vijanden.

 

Jakobskruiskruid is giftig voor de meeste zoogdieren, dus ook voor de mens.

Het meeste gif zit in de bloemen (twee keer zoveel als in de bladeren), maar vergiftiging treedt alleen op als de plant gegeten wordt.

De gifstoffen, zgn pyrrolizidine-alkaloïden, tasten de lever aan. Over het algemeen zullen paarden en runderen niet van de verse plant eten,

maar het gevaar schuilt in het maaien. Als de plant dan in het hooi terecht komt, zullen de dieren het niet meer herkennen en gewoon opeten.

Bij huidcontact is de plant niet giftig, maar kan een allergische reactie geven.

In De Mortel zien we dat ook de Schotse Hooglanders de plant mijden. Ze lopen er wel doorheen,

maar hun dikke vacht voorkomt aantasting van de huid.

 

Naar Boven

 

 

DE SNELLE LOOP EN DE ESPERLOOP

 

In het gebied rond de toren lopen twee beeklopen, de Snelle Loop en de Esperloop. Deze beekjes lopen ook vlak langs het veel

Grotere natuurgebied de Stippelberg, dat grenst aan de Grootelse Heide. Bij de toren is de Snelle Loop het opvallendst,

De Esperloop stroomt verderop in het zuiden, door de bossen en lage begroeiing.

 

Oorspronkelijk werd de Snelle Loop gevormd uit drie waterlopen :

De noordelijke loop door de Milschotse heide, de zuidelijke loop, wat nu de Esperloop is en de middelste loop, die ontstond in het Witven,

In de buurt van Hoogen Aarle in De Mortel. Deze drie taken kwamen bij Grotel bij elkaar.

De middentak staat nu bekend als de Snelle Loop, en is in het begin van de 19e eeuw verlengd tot aan het Peelkanaal,

waar nu de Snelle Loop zijn oorsprong vindt.

In de middeleeuwen is de benedenloop van de Snelle Loop deels gekanaliseerd. Het was daardoor tevens een natuurlijke grens tussen

Gemert en de naburige dorpen.

 

Er waren in die tijd diverse geschillen over de Snelle loop, onder ander over het onderhoud en het recht op het hoeden van vee op de oevers.

De koeien liepen door de ondiepe beek naar de overzijde. Dit leidde toen zelfs tot het graven van een tweede loop, parallel aan de

Snelle Loop met daartussen een houtwal. Deze tweede beek werd dan ook Walgraaf genoemd. Er zijn verklaringen dat die al in

de 15e eeuw is aangelegd

De aanleg was om te voorkomen dat “Gemerts” vee zou grazen van het gras van Aarle-Rixtel en Beek en Donk.

In 1947 zijn beide lopen samengevoegd, en werd een groot gedeelte gekanaliseerd (mede door ruilverkavelingen).

Enige jaren geleden heeft men een gedeelte van de lopen weer laten meanderen. Tijdens de werkzaamheden om de Snelle Loop weer

te laten meanderen, is een gedeelte van de Walgraaf opnieuw uitgegraven.

De aanleg van deze dubbele loop heeft echter ook andere voordelen. Het totale wateroppervlak wordt ermee verhoogd,

waardoor ook de berging van meer water mogelijk is. In de parallelle loop werden ook zgn. vistrappen aangelegd.

Rond de Snelle Loop en de Esperloop vinden we een grote diversiteit van flora en fauna.

 

De Snelle Loop ontspringt bij het waterinlaatpunt van het Peelkanaal, die van oorsprong van de Maas komt,

ten oosten van het natuurgebied De Stippelberg. De inlaat is een stuw, die er uit ziet als overloop.

Het inlaatpunt bevindt zich op defensie terrein.

Het stroomgebeid loopt ten zuiden van De Stippelberg, vormt deels de grens tussen Gemert en Laarbeek,

gaat ter hoogte van de Beeksedijk over in de Kleine Walgraaf en mondt uit in de AA, ter hoogte van Hulst.

Even hiervoor stroomt ook het riviertje De Rips in de Kleine Walgraaf. In het hele stroomgebied worden

de beken ook gevoed door sloten uit de omgeving.

 

Al vrij snel in de bovenloop splits de Snelle loop zich, om ter hoogte van Klef, weer in één beek over te gaan.

Ongeveer 700 meter verder, ten noordoosten van Milheeze, aan de Steenoven, splits de Snelle Loop zich weer en wordt

de zuidelijke stroom Esperloop genoemd. Deze afsplitsing is moeilijk te zien, omdat de Snelle Loop hier via een duiker

onder de weg doorgaat, en de Esperloop begint in een smalle duiker, met veel bermbegroeiing. (een duiker is een

onderdoorgang voor water, onder bijv een weg, meestal gevormd door een betonnen buis).

De Esperloop is vaak smaller dan de Snelle Loop en meandert veel meer.

Ter hoogte van de duiker aan de Neerstraat is onlangs een nieuwe stuw geplaatst en is ook duidelijk te zien dat het water

daar erg ijzerhoudend is (roestbruine kleur). Deze stuw is geplaatst om het wijstwater langer vast te houden.

Ten noorden van Bakel loopt de Peellandbreuk, waardoor er een vrij groot verval is.

Door deze breuk zijn er in het gebied zogenaamde “wijstverschijnselen”.

Dit houdt in dat door de slecht waterdoorlatende laag in de breuken, grondwater omhoog kwelt. Je kunt dan ook natte,

hoge gedeeltes zien tussen droge lagere delen. Het wijstwater is sterk ijzerhoudend, waardoor de Esperloop in de benedenloop

een roestbruine kleur heeft. Hierdoor slaat veel fosfaat neer op de bodem, waardoor de kwaliteit van het water goed tot zeer goed is.

Om het waterpeil te kunnen regelen zijn in beide beken stuwen geplaatst, maar in het meanderende deel op Grotelse Heide zijn deze

enkele jaren geleden vervangen door vistrappen. Dit zijn kleine dammetjes, die gevormd zijn door grote stenen, dwars door de beken.

Aan de achterzijde van de toren aan de Hemelsbleekweg, splits de Snelle loop zich, waar je een idee krijgt hoe het er vroeger uitzag

met de Walgraaf. Ter hoogte van Tereyken is de Walgraaf ook hersteld.

 


Verderop stroomafwaarts wordt de linkerstroom nog een keer gesplitst, maar slechts over ca.50 meter.

Meteen nadat deze laatste afsplitsing weer in de linkerstroom komt is een stuw geplaats. Het verval is hier ongeveer een halve meter.

Dat we dit niet zien in de rechterstroom (stroomafwaarts gezien) komt omdat daar meer dammetjes liggen, die gezamenlijk dat verval opvangen.

Hierna komen de twee stromen van de Snelle Loop,weer bij elkaar en komt ook de Esperloop uit in de Snelle Loop.

Dit laatste is moeilijk te zien, omdat dit hier ook gebeurt middels een duiker, waar ’s zomers veel bermbegroeiing voorhangt.

Hierna gaat de Snelle Loop onder Grotel door, richting Zuidwesten.

 

 

 

Alle foto’s (meer dan hier geplaatst en in groter formaat) zijn te zien bij Foto’s / 2007 / Snelle Loop

 

Naar Boven